Tiliqua rugosa

 Tiliqua rugosa

Tiliqua rugosa rugosa © Fred Gaal

Rijk Animalia
Stam Chordata
Klasse Reptilia
Orde Squamata
Familie Iguanidae
Geslacht Tiliqua

Het geslacht tiliqua omvat alle blauwtong-skinken. Er is 1 soort die gerekend kan worden tot de herbivore hagedissen.

Tiliqua rugosa

Gemeenschappelijke namen:

Nederlands: Pijnappelskink, dennenappelskink
Engels: Sleepy lizard, shingleback lizard, pinecone skink, bob-tail lizard

Verspreidingsgebied:

Australië

Delen waar ze voorkomen zijn: Zuid-Queensland, New south Wales, Zuid Australië, Victoria, West Australië inclusief Rottnest Eiland.

Algemene informatie:

De dennenappelskink is een herbivore skinkensoort die ongeveer 40 cm lang word en meestal tussen de 600 a 700 gram wegen.
Deze dag-actieve en bodem-bewonende skinken zijn groot en robuust en hebben vier korte poten van ongeveer dezelfde lengte.
De staart is korter dan het lichaam en lijkt veel op de vorm van de kop.
Hun kop is breed en driehoekig en hun tong is blauw, breed en vlezig.
De kleur varieert van tinten bruin of zwart met crème kleurige of gele vlekken. De kleuren zijn sterk afhankelijk van de ondersoort en het verspreidingsgebied.

Cites informatie:

Tiliqua rugosa is niet geclassificeerd in CITES

Tiliqua rugosa rugosa – Common Bobtail or Shingleback

Tiliqua rugosa aspera – Shingleback or Sleepy Lizard

Tiliqua rugosa konowi – Rottnest Island Bobtail

Tiliqua rugosa palarra – Shark Bay Bobtail

verspreidingsgebiedZe zijn over het algemeen te vinden in droge, open dorre gebieden variërend van woestijn (zand, stenen), grasland, kustheide, droogbos, struikachtig gebied en kustduinen.
Hun natuurlijke leefgebied kent hete, droge zomers met een gemiddelde maximumtemperatuur van 21 tot 27 dragen en een koude winter met minimumtemperaturen van 9 tot 15 graden.
De regenval is laag met jaarlijks 200 tot 500 mm.

© Fred Gaal

© Fred Gaal

Misschien wel het belangrijkste bij de huisvesting van deze dieren is dat de luchtvochtigheid niet hoger mag zijn dan 40%. Een hogere luchtvochtigheid kan leiden tot luchtweginfecties en bloedvergiftiging door infecties aan de huid, vaak secundair aan vervellingsproblemen.

Om de luchtvochtigheid laag te houden is het aan te raden om geen grote waterbak in het terrarium te plaatsen. Goede ventilatie kan de luchtvochtigheid ook lager houden. Zet in geen geval vlezige planten in het terrarium, daar deze de luchtvochtigheid kunnen verhogen.
Zorg voor een droge en goed absorberende ondergrond.

UV-licht is bij deze hagedissen erg belangrijk. Zorg dus voor een goede UV-lamp of natuurlijk zonlicht.
Zorg ervoor dat het onder de spot niet warmer wordt dan 45 graden.

In de actieve maanden is het dagnachtritme, 14 uur licht, 10 uur donker, met temperaturen van 24 tot 34 graden. In de rustperiode is dit net andersom, 10 uur licht en 14 uur donker, met temperaturen van 9 tot 17 graden.
Beneden de 20-22 graden gaan de dieren in rust en wordt het spijsverteringskanaal inactief. Probeer dus minimaal deze temperatuur aan te houden in de actieve periode.

De minimale maten van het terrarium voor een paartje zijn 150x50x50 (lxbxh)
Groter is natuurlijk altijd beter. Zorg ervoor dat als je meerdere dieren huisvest, ze elkaar uit de weg kunnen en zorg voor visuele barrières. Ook is het belangrijk dat er meerdere zonplekken aanwezig zijn in het terrarium.
Als bodembedekking kan gedacht worden aan gravel, zand, houtsnippers en droge bladeren.

Schuilplaatsen kunnen gerealiseerd worden met bijvoorbeeld struikachtige planten, stronken of kunstmatige holen. Zet het terrarium in ieder geval niet te vol.
Een goede zonplek op een stabiele rots, enkele takken om over te klimmen en een schuilplek zijn de basis.

Tiliqua rugosa rugosa jong na vervelling © Fred Gaal

Dennenappelskinken paren doorgaans na de winterrust. Zodra de lichturen zich weer uitbreiden en de omgeving weer begint op te warmen. De winterse koeling word gebruikt om mannelijke en vrouwelijke cycli te synchroniseren. Het is dus essentieel om een winterrust aan te bieden, als er met de dieren gekweekt wil worden.
Het is gebruikelijk om de dieren te zien paren in de lente.
Een techniek die wel eens gebruikt wordt om de geslachtsdrift van het mannetje te stimuleren, is het introduceren van een rivaliserend mannetje in het verblijf van het koppel. Dit kan uitsluitend onder supervisie om verwondingen te voorkomen en slechts voor zeer korte tijd.
Soms is het genoeg om alleen wat ontlasting of een stuk vervelling van een rivaliserend mannetje in het verblijf te leggen.

Het is belangrijk dat het vrouwtje in zeer goede conditie de winterrust is ingegaan, om het daaropvolgende seizoen met dat vrouwtje te kweken.

De dieren zijn over het algemeen minimaal 30 maanden oud, als ze zich zullen gaan voortplanten.
In gevangenschap kunnen vrouwtjes elk jaar jongen voortbrengen, in het wild is dat gemiddeld een keer per twee jaar. Vaak is dit afhankelijk van de conditie van het dier.

De draagtijd is gemiddeld 150 dagen, afhankelijk van de omgevingstemperatuur.
De worpgrootte is 1 tot 4 jongen. Gemiddeld is de worp 35% van het lichaamsgewicht van de moeder. Meer jongen, betekend dus kleinere jongen. Het geboortegewicht ligt tussen de 52 en 130 gram per jong.

De jongen eten hetzelfde als de ouderdieren. Na de geboorte eet het jong de dooier op, mits de moeder niet sneller is. Dit zorgt voor een extra vetreserve en is mogelijk ook om de darmflora aan te laten passen aan de plantaardige voeding.
Moeders herkennen hun eigen jongen voor een korte periode, maar ze vertonen geen moederlijk gedrag.

Het duurt gemiddeld 3 jaar voordat de dieren hun volwassen grootte hebben bereikt.
Binnen enkele uren na de geboorte zullen de jongen voor het eerst vervellen. De huid komt los in kleine stukjes en wordt opgegeten. Een opgroeiend dier vervelt tot drie keer per jaar. Volwassen dieren slechts een keer.

© Fred Gaal

© Fred Gaal

De dennenappelskinken zijn in principe omnivoor, maar omdat het meeste levend voedsel te snel voor ze is, zijn ze voornamelijk herbivoor. Volwassen dieren hebben een dieet van circa 90% plantaardig voedsel en jonge dieren 80% plantaardig voedsel.

Beneden de 20 – 22 graden zullen deze dieren in rust gaan. Beneden deze temperatuur, zal de schildklier verminderd actief zijn, waardoor het spijsverteringskanaal inactief wordt.
Het eten moet dus aangeboden worden boven de 22 graden, ook na het eten moet deze temperatuur gehandhaafd worden.

De dieren zijn dagactief, dus voedsel moet overdag aangeboden worden. Wilde skinken besteden dagelijks zo’n 12 minuten aan eten.
Volwassen dieren voer je zo’n 2 keer in de week, jonge, opgroeiende dieren om de dag.
Let op voor overgewicht.
Tijdens de winterrust mag er geen eten aangeboden worden.

Een klein deel van hun dieet kan bestaat uit dierlijke eiwitten. Deze hagedissen zijn relatief traag en dus zullen ze snelle voedseldieren niet gemakkelijk te pakken krijgen. In het wild is bekend dat ze onder andere slakken, kadavers, babyvogels en insecten tot zich nemen.

Hun plantaardige dieet is vergelijkbaar met dat van de groene leguaan in gevangenschap.

Voer in elk geval zo gevarieerd mogelijk. Het voer kan eventueel gesupplementeerd worden met Calcium en vitamine preparaat. Let er hierbij goed op dat er niet wordt overgedoseerd.

Het aanbieden van het voer kan in een voerbak. Gebruik bij meerdere dieren meerdere voerbakken.
Als verrijking kan het voer op verschillende wijzen worden aangeboden, verberg het voedsel bijvoorbeeld zo nu en dan.

Geraadpleegde literatuur:

Husbrandy manual for Shingleback lizard © Andrew Titmuss 2007 (Vertaling door: Yoni van Uden)

Comments are closed, but trackbacks and pingbacks are open.